Kamer met zicht op rijst
Om in een andere wereld terecht te komen, hoef je niet altijd grote stappen te zetten. Amper twee uur noordwaarts van Guilin, voor China op een boogscheut afstand, rijden we de groene heuvels in waar de minderheden van de Yao, de Dhong en vooral de Zhuang wonen in hun houten huizen op de bergflanken. Elektriciteit en telefonie drongen er pas recent door. De streek is vooral bekend voor de indrukwekkende wijze waarop de mensen er al eeuwen aan een stuk de natuur naar hun hand zetten. Terras na terras veroveren ze stukjes landbouwgrond op het grillige reliëf. Ondanks deze menselijke ingrepen heeft het resultaat tegelijkertijd iets ongeschonden ongerepts én iets harmonieus bewerkts. Je kan niet anders dan zwaar onder de indruk zijn van het ritme van eindeloze rijstterrassen in al hun schakeringen van groen.
Om de dorpjes binnen te komen betaal je een entreeticket op de enige toegangsweg. Ons dorp heet Ping'an en bestaat volledig uit houten huizen, verbonden door weggetjes als trappen. Van echte straten kan je niet spreken—en dus ook: geen auto's, fietsen, verkeersborden. De tocht naar ons hotel, dat niet geheel ontoevallig bovenaan het dorp ligt, is dus een steile klim. Voor het gemak der toeristen en de portemonnee der dorpelingen staan bereidwillige dragers klaar: oude vrouwtjes met manden voor de bagage, duo's mannen met draagstoelen. Moreel dilemma: niet toegeven om je als rijke westerling deze vorm van slavernij te laten welgevallen, of de dorpelingen dat beetje geld toch gunnen.
Vanuit onze hotelkamer, ook volledig in hout opgetrokken, hebben we zicht op de glooiende terrassen: mooier hebben we nooit gelogeerd gezeten.
Ping'an heeft nog een verrassing in petto: de Zhuang-vrouwen knippen hun haar nooit en draaien het als een soort tulband sierlijk rond het hoofd. Als je in hun winkeltjes een souvenir koopt, zijn ze graag bereid hun elegante kapsel te ontrollen en hun fenomenale haardos te etaleren (zie foto's). Onze lokken steken er maar magertjes tegen af.
