Via Griekenland en Amsterdam naar Hong Kong
Na een laatste tocht door Chinees–Portugees gebied, blijkt op de bus naar de Ferry Port van Macau dat we nog lang niet alles gezien hebben van dit bijzondere eiland-staatje: nog meer blinkende megabuildings, nog meer casino's, nog meer gokpretparken op zoek naar argeloze slachtoffers. Langs de haven torent een fake vulkaan uit boven een replica van een Grieks–Romeins stadje; wat verderop rijden we langs iets wat van ver lijkt op de verboden stad in Peking. Bellewaerde voor volwassenen, met geld als inzet.
Uitchecken uit Macau en inschepen op de ferry (een soort turbojet of catamaran) verloopt heel vlot. Bij het buitenvaren uit de haven zien we langs de kade nog een namaak-Amsterdam, met gevels van herenhuizen en walletjes: crazy, en aandoenlijk.
Na deze laatste Disneylandervaring varen we plots op zee tussen onbewoonde eilandjes, en dan ineens is daar die verbluffende skyline van final destination: Hong Kong. Bestaan er mooiere manieren om deze haast mythische stad binnen te komen? Onder een staalblauwe lucht varen we Victoria Harbour binnen—een machtig en tegelijk klein gevoel, bij de aanblik van de impressionante sky scrapers.
De metro op naar Mong Kok, in het hart van Kowloon, en even later staan we op straat, temidden van een vochtige warmte en een krioelende mensenmassa. Het kost ons amper een paar honderd meter (of beter: yards, want deze stad ademt zijn Britse koloniale verleden nog uit) om aan te voelen dat Macau (al een pak westerser dan China zelf) slechts een opstapje was naar de nieuwe wereld van Hong Kong. Alles is hier anders dan in China: Aziatisch pur sang en toch veel westerser, schone straten, geen vieze geurtjes, overal Engels naast Chinees, herkenbare winkels en zowaar welgemanierde mensen! Tot op heden nog geen rochel of boer bespeurd, wat in China manifest onmogelijk is. Het is er druk, maar niet claustrofobisch: met een merkwaardige en haast vertrouwd aanvoelende soepelheid beweegt deze miljoenenstad zich voort.
Wij nemen onze intrek op de 18e verdieping van een meer dan behoorlijk hotel (soms mag het—zoals bij de beenhouwer—al eens wat meer zijn), met net boven ons op de 19e verdieping het openluchtzwembad. We kunnen daarmee leven. Pieter
Uitchecken uit Macau en inschepen op de ferry (een soort turbojet of catamaran) verloopt heel vlot. Bij het buitenvaren uit de haven zien we langs de kade nog een namaak-Amsterdam, met gevels van herenhuizen en walletjes: crazy, en aandoenlijk.
Na deze laatste Disneylandervaring varen we plots op zee tussen onbewoonde eilandjes, en dan ineens is daar die verbluffende skyline van final destination: Hong Kong. Bestaan er mooiere manieren om deze haast mythische stad binnen te komen? Onder een staalblauwe lucht varen we Victoria Harbour binnen—een machtig en tegelijk klein gevoel, bij de aanblik van de impressionante sky scrapers.
De metro op naar Mong Kok, in het hart van Kowloon, en even later staan we op straat, temidden van een vochtige warmte en een krioelende mensenmassa. Het kost ons amper een paar honderd meter (of beter: yards, want deze stad ademt zijn Britse koloniale verleden nog uit) om aan te voelen dat Macau (al een pak westerser dan China zelf) slechts een opstapje was naar de nieuwe wereld van Hong Kong. Alles is hier anders dan in China: Aziatisch pur sang en toch veel westerser, schone straten, geen vieze geurtjes, overal Engels naast Chinees, herkenbare winkels en zowaar welgemanierde mensen! Tot op heden nog geen rochel of boer bespeurd, wat in China manifest onmogelijk is. Het is er druk, maar niet claustrofobisch: met een merkwaardige en haast vertrouwd aanvoelende soepelheid beweegt deze miljoenenstad zich voort.
Wij nemen onze intrek op de 18e verdieping van een meer dan behoorlijk hotel (soms mag het—zoals bij de beenhouwer—al eens wat meer zijn), met net boven ons op de 19e verdieping het openluchtzwembad. We kunnen daarmee leven. Pieter
