Wind- en regenbruggen
Verder doordringen in het binnenland van China betekent: steeds minder stad, steeds minder industrie, steeds minder Han-invloed. Na de rijstterrassen van Ping'an en Longi kronkelen we langs bergwegen en door valleien verder het noorden van Guanxi in. De kleine stadjes waar we van bus wisselen blijven die typische chaotische heksenketel die zo eigen is aan een Aziatische stad, maar daarbuiten is het groen, rust en rijst. De plaats van bestemming is Chengyang: een groep Dong-dorpen die nog relatief onaangetast zijn door toerisme en het leven in de 21e eeuw. Houten huizen, traditionele klederdracht, waterraderen in de rivier, amper auto's: het lijkt er alsof de tijd heeft stil gestaan. Vaak hoor je tegen de achtergrond van sjirpende insecten en het klotsen van de rivier niet veel meer dan het gonzen van de pedalen van de rijstoogstmachines (de boeren bedienen de houten "rijst-dorsers" met de voet, als een oude naaimachine) en het kletteren van de rijstkorrels tegen de houten wanden van de bak. Her en der in het dorp ligt de pas geoogste rijst te drogen.
Om de rivieren die rond en door de dorpen stromen over te steken, bouwen de Dong-mensen al sinds oudsher zgn. wind- en regenbruggen: houten bruggen over het water, voorzien van een dak, paviljoenen en muurtjes met banken. In deze broeierig hete zomerdagen bieden ze verkoeling en vervullen ze de functie van afspraakplaats: er wordt loom gekaart, kinderen hangen er rond, oudjes staren er vanuit de schaduw in de verte. In het centrum van de dorpen staat ook steeds een drumtoren: de senioren komen er samen om naar de drops-tv te kijken en de leden van de plaatselijke folkloregroep hebben er hun instrumenten staan. Op een pleintje maken we een optreden mee van Dong-dansers en -danseressen. Tijdens de vertoning krijgen we slangewijn te drinken. Aan de rand van de dorpen zien we hoe de mensen van de rivier afhankelijk zijn: ze doen er de was, wassen hun haar, spoelen hun groenten. Aan de oever staan bananenplanten. Vlinders zo groot als handpalmen vliegen rond. De natuur toont zich hier van een heel weelderige kant.
Terugkeren naar de stad zal voor een groot contrast zorgen. Vóór we dat doen, trekken we eerst naar het zuiden van de provincie, waar een betoverend karstlandschap ons opwacht.Pieter
Om de rivieren die rond en door de dorpen stromen over te steken, bouwen de Dong-mensen al sinds oudsher zgn. wind- en regenbruggen: houten bruggen over het water, voorzien van een dak, paviljoenen en muurtjes met banken. In deze broeierig hete zomerdagen bieden ze verkoeling en vervullen ze de functie van afspraakplaats: er wordt loom gekaart, kinderen hangen er rond, oudjes staren er vanuit de schaduw in de verte. In het centrum van de dorpen staat ook steeds een drumtoren: de senioren komen er samen om naar de drops-tv te kijken en de leden van de plaatselijke folkloregroep hebben er hun instrumenten staan. Op een pleintje maken we een optreden mee van Dong-dansers en -danseressen. Tijdens de vertoning krijgen we slangewijn te drinken. Aan de rand van de dorpen zien we hoe de mensen van de rivier afhankelijk zijn: ze doen er de was, wassen hun haar, spoelen hun groenten. Aan de oever staan bananenplanten. Vlinders zo groot als handpalmen vliegen rond. De natuur toont zich hier van een heel weelderige kant.
Terugkeren naar de stad zal voor een groot contrast zorgen. Vóór we dat doen, trekken we eerst naar het zuiden van de provincie, waar een betoverend karstlandschap ons opwacht.Pieter
